woensdag 13 november 2013

Hitler VII

Daar zat hij dan. Te kniesoren.
Zodra het moment het toelaat, zit hij te kniesoren. Die momenten van tegenwoordig laten ook veel teveel toe. Vind ik.
Vroeger was dat allemaal heel anders.
Welnu, we zeiden elkaar gedag en ik ging zitten. Het was mooi weer, ook al was het al bijna oktober. Daarom zaten we buiten.
Hij vroeg hoe het met me ging, en ik zei: 'maakt het je iets uit dan?'
'Ik wil gewoon weten hoe het met je gaat' zei Kniesoor.
Daar had ik niet van terug, en ik zei hem dat ik weliswaar nog steeds een kutleven had, maar dat de zaken er toch relatief gunstig voor stonden, ondanks alles.
En, vooral, ondanks mezelf.
Hij pakte de kaart erbij zen vroeg: 'Wat wil je?'
Ik dacht: ik wil jou.
Maar zei: 'Muntthee'.
Daarna hadden we het over zijn leven, zijn werk en mijn werkelijkheid. En over hoe de afgelopen zomer was geweest voor ons beiden (kapot gruwelijk).
Op een gegeven moment vond ik het allemaal te lang duren. Ik wilde antwoord op mijn vraag, en wel nu meteen. Midden in een zin onderbrak ik hem:
'Wanneer ga je nou eens toegeven dat je gevoelens voor mij hebt?' vroeg ik.
Hij keek mij niet begrijpend aan.
'Godverdomme!' voegde ik er nog aan toe.
'Wat bedoel je precies?' deed hij alsof zijn neus bloedde.
'Ik hou van je, snap dat dan!' riep ik en duwde de terrastafel met een fikse duw in zijn buik. Zulke dingen doen mensen als ze van iemand houden.
Daarna pakte ik mijn tas en rende weg, met het schaamrood op mijn kaken. Ik durfde niet achterom te kijken.
Hijgend stond ik bij mijn fiets toen Dreetje Hazes ineens voor me stond.
In de ene hand hand een pen, in de andere een brief.
Hij vroeg aan mij een vlieger.
Ik zei hem dat ik er geen had. Daarna legde ik hem de weg uit naar de dichtstbijzijnde Bart Smit.
Dreetje rende erheen.
Snel deed ik mijn fiets van het slot, bang dat Kniesoor mij achterna zou komen.
En ik reed weg.
Zo hard als ik kon fietste ik naar huis.


© Jiska de Vries 2012

Geen opmerkingen:

Een reactie posten