woensdag 13 november 2013

Hitler XX

'Niks, laat maar' zei ik, toen hij dichterbij kwam.
'Jawel, nu wil ik het weten ook!' zei Ringo, en hij was kwaad, hetgeen niet vaak voorkomt, daar hij doorgaans te lui is, of te flegmatisch, hoe je het ook wilt bekijken, om ook maar iets van gevoel naar boven te laten borrelen, laat staan dat het zijn mond weet te bereiken.
'Ik zei lafaard, maar ik meende het niet' zei ik schuldbewust.
'Je weet dat je mij daar erg mee kwetst' antwoordde Ringo.
'Ja, dat weet ik, maar weet je, eigenlijk bedoel ik mezelf. Ik vind mezelf een lafaard, maar omdat ik mezelf niet kon aanzien in dat licht, besloot ik in een fractie van een seconde, dat ik als het ware het kots van mijn eigen licht des aanschijns, of eigenlijk schaduw des aanschijns, aan jou zou offreren. Op een verwrongen dienblad.'
'Ten koste van mij?' vroeg Ringo, en zijn ogen stonden verdrietig.
'Ten koste van jou ja' zei ik, en barstte in huilen uit.
Ringo sloeg zijn armen om mij heen en troostte mij.
Daardoor voelde ik mij nog slechter. Ik beging een verderfelijke misstap en liet mij door nota bene het slachtoffer zelf, troosten.
We gingen naar binnen, en vervolgens nam Goede Tijden Slechte Tijden onze volledige aandacht in beslag.
Toen het was afgelopen, vroeg ik aan Ringo: 'Is het heel verontrustend als ik mezelf al te zeer herken in de hoofdpersoon van het boek 'De Idioot'?'.
'Je bedoelt de idioot zelf?' vroeg Ringo, en ik knikte ongeduldig van 'ja'.
'Wel' begon Ringo gewichtig.
'Het is maar hoe je het bekijkt natuurlijk...'.
'Ja' zei ik, legde het ene been over mijn andere been en keek onrustig in de verte, alsof ik daar het antwoord zou vinden.
'Ik bedoel natuurlijk zonder paradigmaverschuiving, gewoon, vanuit je huidige paradigma bekeken, is het dan verontrustend?'.
'Nou ja, in zekere zin wel' zei Ringo.
'Zie je, dat dacht ik dus al' zei ik , en zette de teeveej uit.
Plotseling werd er aangebeld.
Zowel Ringo als ik keken verbaasd op.


© Jiska de Vries 2013     

Hitler XIX

'Heel blij' zei Ringo en hij trachtte mij te omhelzen.
Maar ik kon hem nog net ontwijken en pakte mijn mobiel, om te veinzen dat ik een heel belangrijk bericht verwachtte. Overigens niet geheel geveinsd; want wij mensen verwachten immers in zekere zin altijd een belangrijk bericht. Dat is de reden, dat wij mensen 's avonds naar bed gaan en 's ochtends, bij het zonnegloren, opstaan en de dag met vreugdevolle zelfkastijding doorstaan.
Dat van die zelfkastijding zijn de meesten zich niet bewust, althans, de minder begaafden onder ons, en dat zijn de meesten.
'Weer niets!' riep ik uit en ik veinsde teleurstelling. Hoewel ook deze teleurstelling uiteraard niet volledig geveinsd was, kan ik u vertellen vanuit een eerlijk en open hart. Want natuurlijk is het zo dat de mens in principe graag wil dat hem iets belangrijks wordt medegedeeld. Hoe, dat maakt niet uit, en de intrinsieke waarde van de boodschap al evenmin.
Het gaat erom, dat het belangrijk is, en het liefst nog van geheime aard. Dan voelen wij mensen ons – en ik spreek nu even voor ons allemaal – vereerd, en bovenal bijzonder, en een individueel. En dat gevoel, dat is waar sommige mensen letterlijk een moord voor plegen. Alleen maar vanwege het feit dat alleen zij dan weten dat zij iemand vermoord hebben, en de rest niet.
Dan voelt de mens in kwestie zich bijzonder, al is zo'n daad dan nog van zo'n kwaadaardige en huiveringwekkende aard. Het gaat om dat individualiteitsgevoel. Althans, voor de mens uit deze tijd. Voor een mens uit, laat ik zeggen, de Gouden Eeuw, liggen die zaken toch weer net een tikje anders. Wat zeg ik, een tikje, nee, ik bedoel, voor die mens in kwestie liggen de zaken echt verdraaid anders. Ik zal u echter met de verhalen die ik daarover vertellen kan, niet vermoeien, want zoals u wellicht weet, zitten wij momenteel middenin een verhaal en het zou zonde zijn daar zo'n lange pauze in te lasten, dat u van ongeduld op uw knokkels zult gaan bijten.
Nee, zo'n individualistisch persoon ben ik niet. Niet zo individualistisch als de moderne mens vaak pleegt te zijn. Daar valt weinig optimistisch over aan te merken, overigens.
Genoeg, genoeg hierover.
'Waarom doe je nou zo?' vroeg Ringo en ik zei 'Hoe...zo?'
'Zo ontwijkend'.
'Zo doe ik toch altijd' probeerde ik, maar Ringo bleek echt op zijn tenen getrapt dit keer.
'Weet je, ik heb hier geen zin in, ik ga weg' zei hij met een getergde blik.
'Ja, ga maar' zei ik, en liep alvast naar de deur.
Hierop leek Ringo zich nog bozer te maken, en liep met venijnige pas richting de deur.
Ik keek hoe hij, met afgezakte schouders – hetgeen ik toch wel een beetje zielig vond – de bocht om liep.
'Lafaard!' riep ik hem na en bleef in de deuropening staan kijken.
Achter mij hoorde ik het welbekende deuntje opdoemen. 'De tijd van onbezorgdheid is voorbij', en ik werd stante pede gegijzeld door een golf van melancholie.
'Wat zei je?' riep Ringo, die vanachter de straathoek vandaan kwam.



© Jiska de Vries 2013    

Hitler XVIII

Dat moet ik wel vaker, aan Hitler denken. Maar hij denkt nooit aan mij.
En dat terwijl just ik typisch zo'n persoon ben die men gauw vergeten zal, mits je er niet aan denkt. Daarom stoort het mij, als mensen niet aan mij denken. Want ik wil natuurlijk niet in de vergetelheid geraken. Nu nog niet.
Thuis zette ik de teevee aan en viel middenin RTL Boulevard; zoals een mens weleens vallen kan. Sylvie heeft een nieuwe vriend, een Franse. Nu moest ik natuurlijk proberen 'Sylvie Meijs' op zijn Frans uit te spreken.
Sil-wie. Me-jies! Zo ongeveer zou het klinken, dacht ik. Met bij 'Sil-wie' natuurlijk de nadruk op 'wie'.
Net alsof je zou zeggen: Sil wie?! Inderdaad.
Zo uitgesproken klonk die naam ineens best wel chique. En dan zal je zien, zal ze straks ook nog Frans gaan spreken. Let maar op. Binnen een mum van tijd spreekt madame Frans, en dan zijn de rapen gaar. Dat zal, naast de hernieuwde uitspraak van haar naam, Syl-wie dan gelijk een geheel nieuw elan geven.
Mark my words. Ik heb kijk op dat soort dingen. En hoe.
Ik zat op mijn lekkere stoel en hoorde het pingeltje van mijn mail. Ik liep naar de brievenbus, daar ik ook een pakje verwachtte. Ik wilde net foeterend op mezelf teruglopen richting woonkamer, toen de bel ineens toch echt bleek te gaan.
Het was Ringo.
'Je weet toch dat ik niet van bezoek hou' mompelde ik retorisch en hij liep achter mij aan naar binnen. 'Ja, weet ik' zei hij 'maar ik hou wel van jou!' met zo'n slijmerige glimlach erbij. Bloedirritant.
'Ik kan je bloed wel drinken' zei ik met een glimlach.
'Of ik iets wil drinken?'.
'Ja, inderdaad, wat wil je drinken?'
'Doe maar gewoon water'.
'Heb je het gehoord van die CIA-shizzle?' vroeg Ringo.
'Ja' zei ik. Ik wilde zeggen dat ik het sneu vond. Sneu voor de CIA agenten die, zo stel ik mij dan voor, uur na uur zitten te puzzelen op het Nederlands in mijn mailtjes.
Met woordenboeken en alles erbij. Hebben ze het eindelijk allemaal vertaald, blijkt het allemaal van die triviale shit te zijn die ik mail. Maar daar hoor je dus niets over in de media. Iedereen maar klagen en doen over privacy en weetikveel wat ze allemaal verzinnen. Er is niemand die eens denkt aan de gevoelens van die CIA agenten. Gelukkig ben ik er nog.
'Ben jij ook zo blij dat ik besta?' vroeg ik aan Ringo, die ondertussen eng dichtbij was komen zitten.



© Jiska de Vries 2013    

Hitler XVII

Ik had een afspraak met Hongerige Wolf.
Gelijk na binnenkomst vertelde ik hem over mijn plan om te gaan crowdfunden. Hij was niet gelijk enthousiast. Ik ging in de contramine.
'Maar Mari is het ook gelukt!' zei ik.
'Ja, maar Mari heeft gevoel voor dramatiek' antwoordde de Wolf.
Daar had hij een punt. Maar wacht eens even.
'Ik heb ook gevoel voor drama' zei ik korzelig.
'Ja, jij ook ja' zei de Wolf.
De Wolf moest hard lachen. Zo hard, dat het ongemakkelijk werd. Voor mij althans. Hij ging er helemaal in op. Ik heb nog nooit eerder iemand zo ongegeneerd zien lachen. Het was net alsof hij even helemaal in zijn in eigen lachwereldje zat.
Ik wilde hem niet storen in zijn privé-momentje, hoewel ik mij wel afvroeg wat er nou zo enorm grappig was aan hetgeen ik gezegd had.
Daarna hadden we het over serieuze dingen.
Een week later.
De zon schreeuwt achter het raam: kom naar buiten, kom naar buiten, het is mooi weer!
Dat is april.
En als je dan buiten bent, dan voel je de schrale wind langs je wangen scheren en lacht de zon je recht in je gezicht uit.
Baldadig zonnetje. Dat is òòk april.
Ik stapte op de fiets richting de fotozaak. De rillingen liepen over mijn rug, naar mijn benen, voeten, en weer omhoog.
Bij de fotozaak. Mijn negatieven waren gescand. Ik rekende af.
De fotoman zei: 'Als het niet goed is: niet huilen, gewoon terugkomen.'
Ik: 'Of huilen én terugkomen.'
Dat vond hij ook goed.
'Het middenrif is de nieuwe erogene zone van dit seizoen', las ik die week in de Vogue.
Ik probeerde er iets van te voelen. Maar er gebeurde niets.
'Ja, ik moet het er altijd bij zeggen, want als ik het er niet bij zeg is er vaak iets mis mee'. Ik knikte begrijpend.
'Ben een beetje bijgelovig' riep hij er nog achteraan. Ik pakte mijn biezen.
'Ik ook' zei ik. En liep richting de deur.
'Ik vind het wel fijn' riep hij me na.
'Ja, bedankt, dag!'.
Buiten zag ik een moeder en een kind staan bij een plas regenwater.
De moeder zei: 'Kijk, een krokodil!'
Ik zag het kindje kijken van: sure. Maar het kindje besloot het spelletje mee te spelen en riep: 'Hey ja!'
En ik moet zeggen, ik snap het wel. De arme drommel wilde de moeder natuurlijk geen ongemakkelijk gevoel geven. Dat is de loyaliteit van kinderen. Het houdt niet op, niet vanzelf.
Maar ik vond het belachelijk.
Dat zo'n moeder dan denkt dat een kind dat leuk vindt, zulke 'grapjes'. Waar geen hond om kan lachen. En dan zo'n kind die dat dan maar mee moet spelen, uit pure ellende.
Ik kreeg bijna zin om de moeder te achtervolgen, om er zo achter te komen waar ze woonde. Dan kon ik haar lekker aangeven bij het Meldpunt Kindermishandeling.
Maar ik had honger, dus besloot ik naar mijn eigen huis te gaan, om te koken.
Zo ben ik dan ook wel weer, ja.
Daarna moest ik ineens aan Hitler denken.




© Jiska de Vries 2013   

Hitler XVI

Ik dacht: nou, zo erg is het toch ook weer niet? Wat weet ik niet, maar het leek me toch dat het allemaal zo erg niet kon zijn.
Maar dat was het ook niet, ze kende alleen geen enkele straat. Terwijl ze er al meer dan tien jaar woonde. 'Overdrijven is ook een vak, mevrouwtje', zei ik haar toen ik achter haar overdrijving kwam. En ik fietste stuurs weg.
Uiteindelijk wel gevonden die winkel.
Drie dagen later.
Het is ochtend.
Ik heb last van de somberitus.
Niet te verwarren met de sombrerotyfus, want dat is iets heel anders. Daar kunnen ze je in Spanje van alles over vertellen. Maar dat doen ze niet, als je ze het niet vraagt tenminste. Je moet altijd zelf het initiatief nemen bij die gasten. Want die Spaansozen zijn zo lui dat ze je never nooit niet zullen zeggen wat ze op hun hartje hebben.
Hoe dan ook, ik stapte op de fiets, die morgen met allerhande zorgen. Het was koud, knetterkoud. En de sneeuw deed de wereld beseffen dat het iets te verbergen had.
Ik voelde me als een krokusje dat zijn tere hoofdje nnieuwsgierig boven de aarde uitgestoken had. Om daarna verpletterd te worden door een Maartse Koude waar de honden geen brood van lusten.
Soms zeggen mensen: ik heb er de pee in. Maar wat dat 'er' precies is, dat weet niemand.
Dat vind ik geheimzinnig.
Soms zeggen mensen ook: ik ben het zat! Maar wat dat 'het' precies is, dat vertellen ze je dan niet.
Dat vind ik irritant.
Mensen vertellen mij überhaupt nooit iets. Ze weten allemaal iets dat ik niet weet. Maar niemand die eraan denkt mij er deelgenoot van te maken. Ondertussen doe ik alsof ik het allang weet. Een beproefde techniek om achter een geheim te komen. Ik hoop dat het ooit nog eens gaat werken. Dat zou me heel wat acteerwerk schelen... Kan ik dat weer gebruiken voor andere dingen.
Zo berekenend ben ik dan ook wel weer.
Misschien ga ik dan wel solliciteren voor Goede Tijden Slechte Tijden. Weet jij veel, misschien nemen ze mij wel aan. Linda, Roos en Jessica hebben ze ook ooit aangenomen. 'Maar dat waren andere tijden', hoor ik U zeggen.
Wel, daar heeft U groot gelijk in. Maar we weten allemaal dat oude tijden vaak genoeg herleven en van Linda, Roos en Jessica kan geen mens genoeg krijgen in zijn leven. En ik ga er voor het gemak (ik heb Spaans bloed) maar vanuit dat dat ook voor mij geldt. Ik leef immers niet voor niets in het narcistische tijdperk. Het tijdperk wil narcisme, dan zal het tijdperk het krijgen ook.
Hoezee!
Eenmaal aangekomen bij de plek des onheils plaatste ik er mijn fiets. Met een licht onzekere tred trad ik het gebouw waar ik een afspraak had, tegemoet.
Dit om eventuele zekerheden uit te sluiten, indien mogelijk.


© Jiska de Vries 2013   

Hitler XV

'We hebben een hele bus en jij kiest het dashboardkastje' zei de Sherrif.
Vond ze grappig.
Ik zei haar dat ik vanuit het dashboardkastje makkelijk met haar zou kunnen kletsen. Vandaar. En ze zou me af en toe kunnen voeren. Chips enzo.
De Sherrif merkte terloops op dat ze me dan verder ook Anne zou noemen.
Ik zei dat ze dan ook maar onderweg het album 'Frank' op moest zetten. Van Winey Winey.
Wel balen dat ze door Duitsland moesten.
's Avonds keek ik DWDD en hoorde hoe mensen daar liedjes zongen die ooit geschreven waren door Annie M.G. Schmidt. Ik hoorde het aan en huiverde.
'De ouwe Jacob wordt verkracht' sms'te ik Ringo.
De Ouwe Jacob is nota bene mijn lievelingsliedje van Het Oeuvre Annie's.
Potjandikkie.
Ringo reageerde pas drie minuten later. Toen was het moment al voorbij. Ik dacht er al niet meer aan. Ik zat met mijn hoofd bij Sylvie en Raf. Zouden ze hun relatiecrisis al overwonnen hebben?
Ik wist het nog zo net niet. Misschien zit Sylvie op dit moment wel te huilen, dacht ik. Of Raf. Dat is ook een huilebalkie hoor, die Raf. Tjongejongejonge, wat kan die man huilen.
Maar wel heel authentiek hoor. Daar niet van.
Ik keek even op mijn mobiel en zag wat Ringo had ge-sms't. Hij vroeg mij hoe het in de liefde ging.
Ik sms'te terug: 'Sadist'.
Daarna stapte ik op de fiets naar de tweedehandswinkel.
Was er nog nooit geweest, en kon het niet vinden. Kwam een jongetje tegen op straat van een jaar of twaalf, met een skateboard. Ik vroeg hem of hij de weg wist.
Met een Brabants accent vertelde hij dat zijn ouders waren gescheiden. Ik dacht: ja, interessant, maar dat vroeg ik niet. Daarna overviel mij een vleug van empathie. Arme jongen.
Toen zei hij dat hij hier dus maar een paar dagen per week was, en daarom de straten nog niet goed kende.
Ik loog dat het niet uitmaakte en dat ik wel iemand anders zou vragen.
Hij zong vervolgens: 'Zij loog tegen mij, alsof ik een kind was'.Nee, grapje.
Hij antwoordde dus dat hij de laatste tijd steeds vaker gaat skaten met zijn vader, en dat hij de straten daardoor steeds beter leerde kennen. Ik zei moederlijk: 'Goedzo!', en fietste weg.
Even verderop zag ik mijn volgende target al opdoemen: een oudere vrouw.
Die zal het wel weten. Ik vroeg haar of ik iets mocht vragen. Beetje een domme vraag eigenlijk, want ik vroeg al iets. Maar goed, zij leek het mij niet kwalijk te nemen. Dit is het gemoedelijke gedeelte des lands. Dat kon je wel merken. Aan dit soort kleine dingen merk je dat. In de Randstad zouden ze je allang vermoord hebben om zo'n vraag.
'Bent u hier bekend?'. Vroeg ik de mevrouw.
'Het is verschrikkelijk' antwoordde ze.

© Jiska de Vries 2013    

Hitler XIV


'Whiskas natuurlijk' zei de assistente kribbig en duwde mij de deur uit.

Die avond ging ik met Iedereen naar de nieuwste film met Kries Vouten. Het kaartje was duurder dan normaal en dat vond ik wat dubieus.
Het was die avond Leedies Nijd. Dat is natuurlijk heel fout, vandaar dat ze ook een foute zanger hadden uitgenodigd. Ik zeg: volks, en u weet genoeg.
Als troost kregen we voor de ingang van zaal 2 een lange rij cadeau, en een goodiebag. In dat tasje bleken dan weer dingen te zitten die je zelf betaalt had middels dat te dure toegangskaartje.
Maar ik mocht niet klagen, want in het tasje zat een ongezond flesje Coca Cola, een flesje met water dat prikt in je keel, en twee tijdschriften van drie maanden geleden.
Op de stoel van rij 2 vonden wij een zakje popcorn die door Iedereen weldadig over de grond verspreid werd. Toen wij achter ons keken zagen wij vrouwen, vrouwen, en nog eens vrouwen.
Iedereen vond dat de andere vrouwen op stomme momenten lachten en ik was het daar roerend mee eens.
Wij weten tenminste wél wat humor is.
Later die avond zat ik op de fiets naar huis en stond voor het stoplicht. Naast mij een meisje die het koud leek te hebben en geen handschoenen aan had. Ik had bijna de neiging haar die van mij te geven omdat ik het zo zielig vond. Maar omdat ik ongeveer een jaar geleden heb besloten om wat minder Jezusachtig te worden, want met Jezus Gristus liep het niet goed af - dat weet jij, dat weet ik, dat weten we allemaal - deed ik het toch maar niet, en besloot zo egoïstisch te zijn de handschoenen voor mezelf te houden.
Toen ik thuis was ging ik nog even tsjetten met De Sherrif. Ik vertelde haar dat ik haar zou gaan missen want zij gaat binnenkort op reis voor heel lang. Te lang, als je het mij vraagt.
U vraagt zich wellicht af: wie bepaalt dat, dat het te lang is, u toch zeker niet? Welnee, ik vind ook helemaal niet dat mijn oordeel al te zwaar opgenomen moet worden. Maar u vroeg het mij zelf, en als het antwoord u niet bevalt, dan had u het maar niet moeten vragen.
Zo werken de dingen in het leven nou eenmaal, en eerlijk gezegd schetst het mijn verbazing dat ik u dat nog moet uitleggen. Wat zeg ik, verbazing? Nee, dat is niet eens het belangrijkste. Het wekt vooral mijn ergernis, moet ik zeggen. Maar ik zal mij inhouden.
Goed, waar was ik gebleven, oh ja, bij De Sherrif.
Welnu, ik vertelde haar dus dat ik haar zou gaan missen, gewoon, out of the blue, want zo ben ik. Zij zei dat ze mij zou schrijven. Ik antwoordde haar dat ik mij zou gaan verstoppen in het dashboardkastje. Het dashboardkastje van haar kamperbusje, beste lezer, ik zeg het maar even, want ik hoorde u al denken 'Welk dashboardkastje dan?'. Afijn, nu weet u het.
De Sherrif moest lachen.

© Jiska de Vries 2012    

Hitler XIII


Met Herman den Blijker op mijn netvlies liep ik stug door.  Mocht met mijn voeten niet op de lijntjes van de straatstenen komen. Anders zou ik in de hel komen.
'Ik vind Kakhiel echt geen hol aan' zei ik toen ik Dr. Fellatio, oftewel Kakhiel, tegenkwam, die zich op dat moment net op zijn hoogtepunt bevond. Qua succes, bedoel ik.
'Dondert mij dat nou' antwoordde hij, en liep fluks heen, richting de Mac Donalds.
'Ja, ga je problemen maar weer wegeten!' riep ik hem nijdig na. Waarom ik ineens zo nijdig was weet ik eigenlijk ook niet.

Daarna pakte ik mijn fiets om naar de dokter te gaan.
Het was verrekte koud.

Eenmaal bij de dokter lag ik al snel met mijn benen wijd. Voor het baarmoederhalskankerbevolkingsonderzoek. Leuk woord voor Scrabble.
Het was voor mij de eerste keer dat ik een uitstrijkje liet maken. Ik hoorde nu ook bij De Club van Ingewijden.
Toen ik daar lag op die tafel sprak ik met mijzelf af dat als de assistente onrustige cellen zou vinden of iets dergelijks, en daar dan ernstig bij zou kijken, ik uit zou roepen: 'die kankerkanker ook altijd!'. En zij zou dan in lachen uitbarsten.
'Het is voor jou de eerste keer hé?' zei de assistente, met een toontje alsof ik een klein kleutertje was. Dat heb ik vaker bij mensen, dat ze doen alsof ik een heel klein kindje ben.
Ik knikte van 'ja', en een lichte trots maakte zich van mij meester. Bedacht mij dat ik die nacht misschien wel een gulden onder mijn kussen zou krijgen van de tandenfee. De tandenfee die als bijbaan ook dit soort klusjes op zich neemt, want ja, ook aan feeën gaat de crisis niet voorbij natuurlijk. Ook al wordt je 's nachts dubbel betaalt; het blijft het sappelen.
De assistente pakte een gereedschap uit een kastje, en zei: 'Ik ga je géén pijn doen'. Dit klonk als een dreigement, maar ik besloot haar op haar woord te geloven. Toen ze echter dat vehikel, het speculum, bij mij binnenbracht deed het verschrikkelijk pijn en gilde ik het zowat uit. 'Hou toch je snavel, eendenbek' dacht ik wanhopig.
Na nog een aantal maal proberen van haar kant en wat schreeuwen van de mijne, ging de assistente op zoek naar een kinderspeculum.  Mijn trots was natuurlijk op slag verdwenen, dat begrijpt u wel. Met het kinderspeculum ging het wel geheel pijnloos, dus blijkbaar ben ik wat baarmoederhals betreft wat kinderachtig. Zo leer je ook weer gelijk dingen over jezelf weet je.
En nu het goede nieuws: ik had geen kanker. Althans, niet in mijn baarmoederhals. Over de rest van mijn lichaam werd in de betreffende brief vakkundig gezwegen. Weet niet of dat een goed teken is.

Aan het eind van het hele gebeuren zei de assistente: 'Heb je nog vragen?'.
Ik zei: 'Ja.' Schraapte mijn keel. Die was droog geworden door alle angst die ik had moeten doorstaan.
'Als het aan de kat lag, wat kocht ze dan?'

© Jiska de Vries 2012    

Hitler XII

Maar mijn school is geen film. En als het wel een film was dan liep het slecht af.
Ik zat erover te denken om Hongerige Wolf te vragen of hij galgje wilde spelen met mij. Het woord zou dan 'luduvudu' zijn en het zou te lang duren voordat hij het zou raden.
Terwijl ik mij dat bedacht pakte ik mijn spullen uit en probeerde deze enigszins geordend op tafel te deponeren.
Ik probeerde rustig te blijven. Dat is moeilijk voor iemand als ik.
Voor Hongerige Wolf duurde het natuurlijk alweer veel te lang, en hij stond in mijn nek te hijgen of het een lieve lust was. 'Ben je al klaar?' vroeg, of ik bedoel: hijgde hij.
'Ja, bijna' zei ik en ik werd toch zenuwachtig. Want zo ben ik.
Ik pakte mijn map erbij en vertelde over mijn project. 'Je haar is rood' zei Hongerige Wolf.
'Weet ik' zei ik 'Geverfd'.
'Moet het niet gewoon blauw zijn?' zei de Hongerige.
'Nee' zei ik, terwijl hij door ratelde 'dan moet je het eerst blond maken...en dan blauw verven'.
'Weet ik' zei ik.
Hij bekeek mijn werk en slaakte lyrische kreten. Dat doet hij altijd. Als ik niet oppas raakt hij me nog aan ook. Ik bedoel, dan spreid hij zijn armen uit en probeert mij daarin te vangen. Of hij gooit een arm over mij heen en trekt mij naar zich toe.
Dat is wat mijn werk bij hem losmaakt. Blijkbaar.
Maar die aanrakerij, daar moet ik niets van hebben natuurlijk. Daarom ben ik in zijn aanwezigheid altijd in staat van absolute paraatheid. Als het moet, kan mijn reflex dan sneller zijn dan het licht.
En het licht is snel hoor, kan ik u vertellen, zeker dat licht van tegenwoordig. Man, man, man wat is dat licht snel. Ik hou het bijna niet bij!
Hij vroeg of ik het tijdschrift 'Interview' kende van Andy Warhol.
'Nee' zei ik. 'Ik heb er nog een paar liggen' zei hij.
Wat loop je nou stoer te doen, dacht ik.
'Andy Warhol' vervolgde hij 'Die was net zo bang als jij'.
'Oh, nou, dat is fijn om te weten'.
'Weet je hoe Andy Warhol is overleden' zei de Hongerige met een beestachtige blik in zijn ogen.
Is dit een strikvraag, dacht ik.
'Aids' zei ik.
'Nee, een blindedarmontsteking'.
'Ah, dat heb ik ook gehad, ik was bijna dood!' riep ik, plotseling verheugd omdat het over iets macabers ging.
'Dat is nou jouw band met Warhol' zei de Hongerige berustend.
Een uurtje later liep ik over straat.
'Het is hier net een tentenkamp van beton' zei Herman den Blijker in mijn hoofd.
In de verte zag ik Dr. Fellatio aan komen lopen.
© Jiska de Vries 2012    

Hitler XI


Drukte op het knopje en wachtte tot de lift kwam.
Toen de lift er eenmaal was duwde ik de deur open, en drukte op het knopje '3'.
Bovenin las ik het merk van de fabrikant van de lift. SCHINDLER. 'Schindler's lift', dacht ik, 'dat heb ik weer'.
Ik liep naar Tel Aviv. Tel Aviv, God mag weten waarom het zo heet. Maar God vertelt mij nooit wat.
Tel Aviv is een soort loze ruimte tussen de fotografieafdeling en de studio's. Ooit, tien jaar geleden ongeveer, was er in een deel van die ruimte nog een kleurendoka en stonden er in de ruimte allemaal muurtjes met barretjes waar je je verse zelf afgedrukte fotootjes kon bekijken, negatieven kon rangschikken of gewoon domweg een boterham op eten.
Wel oppassen met de kruimels natuurlijk, want je weet, bij de afdeling fotografie zitten over het algemeen heel wat zeurmeisjes die gelijk begin te zeuren wanneer een kruimeltje ook maar in de buurt komt van hun óh zó fragiele en onschendbare lieftallige fotootje.
Ja, beste mensen, het is een heel apart volk, die fotografen, ik kan er boek over schrijven, maar dat doe ik niet, dat zou teveel eer zijn. Maar, zult u nu zeggen, u bent toch zelf ook een fotograaf? Ja, dat pleeg ik inderdaad te zijn ja. Ik ben alleen meer dan dat. Véél meer zelfs. Dat durf ik rustig te zeggen.
Maar wat gedrag betreft lijk ik er in de verste verte niet op, en verder wens ik er ook niet mee geassocieerd te worden danwel aangesproken als zijnde 'één van hen'. Dat u dat even weet.
Nog één ding, en dan hou ik erover op, want dit is niet goed voor mijn hart.
Die onderwerpen! Die onderwerpen van hun foto's zijn over het algemeen verschrikkelijk. Wat zeg ik? Afschuwelijk, weerzinwekkend zelfs!
Zielige mensen, zielige mensen, en nog eens zielige mensen. Zielige mensen van veraf, zielige mensen van dichtbij, zielige mensen terwijl ze zogenaamd tv kijken, etc. En natuurlijk: de zielige dieren, niet te vergeten.
Het verbaast mij eigenlijk dat ze mij nooit hebben gefotografeerd. Ik bedoel, als je een schoolvoorbeeld wilt van 'een zielige' dan ben ik het. Maar nee, ze zien mij niet, ze zien mij nooit, want ze kijken niet eens. Misschien ben ik daar wel het meest kwaad over.
Maar goed, ik dwaal af.
Hongerige Wolf zat al aan een tafel achter zijn laptoppiejoppie.
'He Jis' zei hij toen ik aan kwam lopen.
Ik heet Jiska, Godverdomme nog aan toe, dacht ik, maar ik besloot me bescheiden op te stellen. Ik was er net.
'Hoi' zei ik daarom terug, mijn handen in onschuld wassend.
Ik keek naar de muur en die was wit. Bijna alle muren op mijn school zijn wit. Muren in films zijn vaak mintgroen, heb ik gemerkt.

© Jiska de Vries 2012    

Hitler X


Bij de HEMA kwam ik Matthijs van Nieuwkerk tegen.
'Ook dat nog' dacht ik. Oh nee, dat is een ander programma. 'Zullen we de horlepiep dansen?' vroeg hij mij, al handenwrijvend.
'De horlepiep, de horlepiep' zei ik 'Ben je helemaal krankjorum...'
'Met je bekende kankerporum!' maakte Nico Dijkshoorn, die achter Matthijs stond, mijn zin af.
Matthijs draaide zich verbaasd om terwijl hij ondertussen rood aan liep. Van schaamte natuurlijk, zo'n oneerbaar voorstel doet hij niet vaak.
'Als jullie het niet erg vinden – en ook als jullie het wel erg vinden – ga ik nu verder' zei ik tegen de heren die inmiddels samen de horlepiep aan het dansen waren. Ze gingen er zo in op dat ze mij niet eens hoorden. Ok, dan niet, dacht ik.
Op naar de hoofddoekjes.
Bij de hoofddoekjes staarde een vrouw mij van top tot teen aan en zei toen concluderend 'Leuk, zo'n vrouwtje met een vaginaatje'. Ik vatte het op als een compliment.
Eenmaal bij de kassa vroeg ik aan de kassajuffrouw: 'waarom heeft Hitler zoveel mensen vermoord?'
Achter de kassa zat Barbie, toevallig. Ze was net ontslagen als hoofdrolspeler van haar eigen realityshow ('ze werd te ongeloofwaardig' had de eindredacteur gezegd).
Barbie kauwde op knalroze bubbelgum terwijl ze ondertussen mijn hoofddoekje scande.
Op het LCD schermpje van de kassa stond te lezen: KOPVOD, 3.99.
'Hitler' zei ze 'Wie is dat?'.
'Laat maar' zei ik, en liep weg met de woorden: 'Ik hoef geen bon'.
Ik stapte op de fiets, en fietste naar Sint Joost, mijn school, al meer dan tien jaar. De school die gevestigd is in een oud seminarie.
Eenmaal binnen liep ik door de gang, voelde dat er vanaf rechts naar mij gekeken werd en verwittigde mijzelf om even naar rechts te kijken, alwaar de man van de Helpdesk terugkeek, evenals de conciërges. Ik murmelde een soort van gedag en vroeg mij af hoeveel jongens hier misbruikt zouden zijn. Daarbij baalde ik dat ik een beelddenker ben, schudde mijn hoofd en probeerde ergens anders aan te denken.
Ik ging naar de wc die tegenwoordig de geur van perzik walmt. Dat is pas sinds dit nieuwe schooljaar.
Op de wc kon ik mezelf zien zitten plassen vanuit het spiegeltje dat tegen de binnenkant van de deur zat geplakt. Dat is één van de vele attracties die deze krankzinnige kermis ons te bieden heeft.
Er zijn er meer, maar daar gaat het nu niet over.
Het gaat erover dat ik een afspraak had, en te vroeg was.
Ik liep naar de lift.

© Jiska de Vries 2012   

Htiler IX


Ik liet hem nog twee keer overgaan en hing dan na de eerste 'tuut' snel op.
In totaal deed ik dus drie keer. Dit is onze geheime afspraak.
Na de derde keer belde ik nog een keer en Ringo nam op.
'De duivel zit me op de hielen' zei ik, zonder gedag te zeggen. Zo ben ik, gelijk ter zake.
'Tjee' zei Ringo.
'Kniesoor wil me niet' zei ik daarna, en begon te huilen.
'Hij doet maar alsof' antwoordde Ringo troostend.
'Weet ik' snikte ik. 'Maar toch'.
'Ik begrijp het' zei Ringo. Een korte stilte volgde.
'Weet je wat me grappig lijkt' zei ik, plotseling monter.
'Nou' zei Ringo, licht ironisch.
'Als Hitler een briefje zou schrijven aan zijn liefje, met daaronder:
                
                 ' -x-
                Hitler'.
'Ja, dat zou retecool zijn' antwoordde Ringo, dit keer zonder ironie.
'Ich bin ein Kunstler' zei ik, en hing op.
De volgende dag pakte ik 's middags mijn fiets om naar de HEMA te gaan. Alvast een hoofddoekje kopen voor het geval dat ik geschaakt zou worden door een Mohammedaan. Ik moest toch iets nu Kniesoor zich zo ontkennend opstelde.
Toen ik door de stad liep zag ik in de verte De Modepolitie opdoemen. Twee zwartharigen, een dame en een heer, in een zwart leren jasje en dito stropdas, met een witte bloes eronder. RTL 4 camera in het kielzog.
'Oh nee he', dacht ik, 'ik peer 'm'. Maar ze hadden me al gezien. Ik versnelde mijn pas. Zij ook. Ik begon te rennen en keek achterom. Zij renden ook.
'Wil je niet even een gezellig make-upje!' riep de dame, onderwijl puffend en hijgend. De heer rende naast haar en samen waren ze al aan het overleggen hoe mijn make over eruit zou komen te zien.
De heer rende overigens niet echt, het was meer een huppelpasje, een huppelsprong eigenlijk. Zoiets als iemand die snel vooruit probeert te komen, maar zonder zich te verwittigen te moeten rennen. Want rennen is zo ongezellig. En bovendien zó last season.
De heer was naast me komen huppelsprongen en zei: 'Mag ik wat vragen?'
'Dat doe je al', zei ik, nog altijd rennend.
'Gebruik je weleens eyeliner?'
'Nee, maar ik heb wel een eileider' zei ik, rende naar het openbaar toilet, trok snel de deur achter me dicht en deed 'm op slot.
Eenmaal binnen wachtte ik net zolang tot ik het hysterische gilletje van de heer, en het besmuikte gegiechel van de dame in kwestie niet meer kon horen.
Deed de deur open en zag dat de kust veilig was.
Op naar de HEMA.

© Jiska de Vries 2012  

Hitler VIII

Onderweg kwam ik Chillie tegen, de hond van de meest luie van de Gooische Meisjes.
'Hey Chillie' zeik ik, en raakte met mijn rechtervoet de grond een paar keer lichtjes aan om af te remmen.
'Yo!' zei Chillie.
'Je bent een beetje uit de richting' zei ik hem.
'Chill' zei Chillie.
'Nee, dat is helemaal niet chill. Je moet terug naar het Gooi, die kant op' wees ik hem de weg, en fietste verder. Stopte na een tijdje bij de Appie en zette mijn fiets neer.
Toen ik mijn fiets op slot deed las ik op de glazen buitenkant: 'Ontdek de lolbroeken van het dierenrijk'. Deed mijn fiets op slot, en dacht: kwam eigenlijk voor iets anders.
Eenmaal binnen stond ik na de boter, kaas en eieren het langst te dralen bij de snoepafdeling. Ik kon maar niet beslissen wat ik zou beslissen. Keuzestress, je zou jezelf er bijna door ophangen. Uiteindelijk koos ik voor weerwolvendrop. Het leek mij wel leuk om op die manier toch nog iets mee te krijgen van die godvergeten lolbroeken van het dierenrijk. Daarna even snel afrekenen met de cassière, zonder scrupules overigens.
Automatisch liep ik daarna door naar de advertenties. Er is er maar eentje enigszins opmerkelijk deze keer.
                                        'Aangeboden: hulp in de huishouding.
                                        Beste toekomstige werkgever.
                                        Het spreekt vanzelf dat het mij aan motivatie niet ontbreekt 
                                        om er iets goeds van te maken'.

Nou, dacht ik, als het zo vanzelf spreekt, waarom schrijf je het dan op. Verdomme.
Chagrijnig door deze zoveelste zinloze zin die ik in mijn leven tegenkwam, haastte ik mij naar mijn fiets om zo snel mogelijk aan deze vermaledijde wereld te kunnen ontsnappen.
Thuis in mijn grot, ver van de ellende genaamd 'De Maatschappij' schreef ik een nieuw gedichtje, vol van nijd, duisternis en alles waar ik verder goed slecht in ben (lees: naargeestigheid).
Het gedichtje ging als volgt:

                                        Hey Kniesoor,
                                        Knorrepot
                                       Wat is jouw
                                       Oneindig fatalistisch lot

                                       Amor fati
                                      Weetjewel.
                                      Ach man,
                                    Loopt toch naar de HEL
Ja, het was me het dagje wel.
Toen belde ik Ringo op.

Liet 'm eerst één keer overgaan.
RIIIIIIIIIING.
Daarna legde ik snel neer.



© Jiska de Vries 2012 

Hitler VII

Daar zat hij dan. Te kniesoren.
Zodra het moment het toelaat, zit hij te kniesoren. Die momenten van tegenwoordig laten ook veel teveel toe. Vind ik.
Vroeger was dat allemaal heel anders.
Welnu, we zeiden elkaar gedag en ik ging zitten. Het was mooi weer, ook al was het al bijna oktober. Daarom zaten we buiten.
Hij vroeg hoe het met me ging, en ik zei: 'maakt het je iets uit dan?'
'Ik wil gewoon weten hoe het met je gaat' zei Kniesoor.
Daar had ik niet van terug, en ik zei hem dat ik weliswaar nog steeds een kutleven had, maar dat de zaken er toch relatief gunstig voor stonden, ondanks alles.
En, vooral, ondanks mezelf.
Hij pakte de kaart erbij zen vroeg: 'Wat wil je?'
Ik dacht: ik wil jou.
Maar zei: 'Muntthee'.
Daarna hadden we het over zijn leven, zijn werk en mijn werkelijkheid. En over hoe de afgelopen zomer was geweest voor ons beiden (kapot gruwelijk).
Op een gegeven moment vond ik het allemaal te lang duren. Ik wilde antwoord op mijn vraag, en wel nu meteen. Midden in een zin onderbrak ik hem:
'Wanneer ga je nou eens toegeven dat je gevoelens voor mij hebt?' vroeg ik.
Hij keek mij niet begrijpend aan.
'Godverdomme!' voegde ik er nog aan toe.
'Wat bedoel je precies?' deed hij alsof zijn neus bloedde.
'Ik hou van je, snap dat dan!' riep ik en duwde de terrastafel met een fikse duw in zijn buik. Zulke dingen doen mensen als ze van iemand houden.
Daarna pakte ik mijn tas en rende weg, met het schaamrood op mijn kaken. Ik durfde niet achterom te kijken.
Hijgend stond ik bij mijn fiets toen Dreetje Hazes ineens voor me stond.
In de ene hand hand een pen, in de andere een brief.
Hij vroeg aan mij een vlieger.
Ik zei hem dat ik er geen had. Daarna legde ik hem de weg uit naar de dichtstbijzijnde Bart Smit.
Dreetje rende erheen.
Snel deed ik mijn fiets van het slot, bang dat Kniesoor mij achterna zou komen.
En ik reed weg.
Zo hard als ik kon fietste ik naar huis.


© Jiska de Vries 2012

Hitler VI

Enige uren later lag hij naast mij in bed.
'Dit is wel heel erg Freud' zei ik.
Ik doelde op het feit dat hij dertig jaar ouder was dan ik.
'Who cares' zei Ringo.
'Freud cares' mompelde ik, en staarde naar het plafond.
De volgende morgen werd ik wakker en Ringo was verdwenen.
Dat was alleen maar goed. Dat wilde ik ook.
Ik bedoel, naar bed gaan met je imaginaire vriend, à la.
Maar ernaast wakker worden? Nee, dat gaat te ver.
Zelfs mij, ja. Ook mij gaan dingen te ver.
Na het ontbijt ging ik hardlopen. Want hardlopers, dat zijn doodlopers.
Dus dat komt goed uit.
Toen ik op de terugweg stilstond bij het stoplicht, kwamen twee meisjes op de fiets voorbij.
'Ok, tot de volgende keer!' riep de één, die doorfietste, terwijl de ander afsloeg richting stoplicht.
'Tot de volgende keer...'
'….Rabarber!' zei de ander.
'Rabarber!'
Eenmaal thuis vond ik dat het tijd werd mij te bezinnen op mijn afspraakje met Kniesoor. Ik had echt zo'n zin om wraak te nemen. Om gewoon niet op te komen dagen op het moment dat we een afspraakje hadden. Normaal ben ik helemaal niet wraakzuchtig, maar deze jongen, die maakte het er gewoon naar.
Toch wist ik het nog niet zo zeker. Was het niet een veel beter idee om hem in zijn gezicht te spugen, of iets dergelijks? Of gewoon helemaal niets te doen. Gewoon te doen alsof er niets gebeurt was?
De dag dat het zover was besloot ik toch te gaan.
Het genieten van de macht die ik had gevoeld toen ik me alleen maar voorstelde dat ik hem zou laten zitten, had me al genoeg voldoening gegeven. 
Ik stond nog bij mijn fiets of ik zag hem wel zitten, en hij zag mij wel staan.
'Hey sukkel!' riep ik enthousiast, en zwaaide er bij.
Hij zwaaide niet eens terug, de schurk.
Terwijl ik mijn fiets op slot zette, zong ik zachtjes in mezelf 'Kniesoor, heb jij een masker op? Oh nee, het is je kankerkop'.
Hoe kom ik daar nou weer op? Zei ik in gedachten tegen mezelf.
Soms weet je in deze wereld gewoon van gekkigheid niet hoe je aan de dingen komt.
'Zielenarmoe' gonsde het in mijn hoofd.
Een zware kerkklok. Dong. Dong. Dong.Dong.
Zie-len-ar-moe.

Helemaal niet, zei ik tegen mezelf.
Gewoon toeval.
En teveel 'Oh, oh Cherso' gekeken.
Ik liep naar Kniesoor toe.

© Jiska de Vries 2012

Hitler V

Kliklaminaat. Huichelachtig spul.
Zal ook wel weer door de Nazi's zijn bedacht.
'Je hebt gelijk' zegt Ringo.
'Weet ik' antwoord ik.
Ik loop naar de keuken, waar de spiegel hangt. Kijk in de spiegel en zie de hoeveelheid pukkels op mijn gezicht. Geen gezicht.
'Je kan jezelf zo langzamerhand wel de pokdalige gaan noemen' denk ik bij mezelf.
De pokdalige, naar een niet nader te noemen personage uit 'De Jongeling' van Dostojevski.
'Hey' zegt Ringo.
'Hoe zou je het vinden als ik jouw schaamhaar in de vorm van een Hitlersnorretje zou scheren?'
'Niet zo' zeg ik.
'Hoezo niet? Is toch leuk. Vind ik leuk.'.
'Nee, ik heb volgende week een date'.
'Met wie?'.
'Kniesoor, ken je niet.'
'Wat een domme naam'.
'Je bent gewoon jaloers...'.
'En bovendien' ga ik verder. 'Ben ik het net aan het laten groeien'.
'Why?'
'Vind ik charming. En ik kom op voor de schaamluis. Want die wordt met uitsterven bedreigd'.
'Wat ben je toch een nobel mens' zegt Ringo sarcastisch.
Sarcasme is zijn tweede naam, namelijk.
'Waar het de schaamluis betreft kan een mens niet nobel genoeg zijn' zeg ik.
'En Peter Timofeeff heeft weefselfouten die hij probeert te maskeren door over het weer te praten'.
Ringo gaat naast mij zitten en aait mij over mijn hoofd.
Een golf van zachtheid welt in mij op.
Ik probeer het manhaftig terug te dringen.
Moet het hem natuurlijk niet te makkelijk maken.
'Wil je wat drinken?' vraag ik.
'Verdomme!' roept Ringo.
'Wat doe je nou?! Ik zat net zo lekker in mijn momentum!'
'Vooral-nu-juist-nu-vooruit?' vraag ik.
'Juistum!' Zegt Ringo.
'Doe maar thee'.
'Wat voor thee wil je?'
Ik loop naar de keuken.
'Liberté, égalité of....'
'Fratternité!' roept Ringo mij na. 'Alsjeblieft'.
Ik zet alvast wat kopjes neer op de salontafel.
Of nou ja, salontafel, het is meer een Ikea-gedrocht.
'Pff, warm' zeg ik en plof neer op de bank.
'Oh jee' zegt Ringo. Hij kijkt me bezorgt aan.
'Heb je de Peter Timofever?'


© Jiska de Vries 2012

Hitler IV

'Jawel' zei ik.
'Kijk, mensen denken dat het over muziek gaat, maar...'
'Maar?' vroeg Ringo.
'Maar dat is dus een dekmantel voor nazistische propaganda' zei ik, met lichte triomf.
'Serieus?' vroeg Ringo naar de bekende weg.
'Serieus'.
'Hoe ben je daar dan achter gekomen?' vroeg Ringo.
'Goed tussen de regels doorlezen' zei ik, en zag mijn huisje al in de verte opdoemen.
'We zijn er bijna'.
Zwijgzaam liepen we verder. Ik dacht nog wat verder na over de Hitlerkrant. Het is toch eigenlijk te gek voor woorden, dacht ik, dat zo'n verderfelijk blaadje onze jeugd met hun onschuldige jonge zieltjes zo ernstig moet bevuilen.
'Hey' zei Ringo.
'Ik heb nog een verse academieroddel, wil je 'm horen?'
'Altijd' zei ik gretig.
We waren inmiddels bij mijn huis aangekomen, en stonden voor de voordeur.
Ik stak de sleutel in het slot.
'Een leraar van de academie is naar bed gegaan met een leerling. Harmony heet ze.
En zijn vrouw kwam binnen toen ze 'het' deden.'
'Dat meen je niet!' zei ik, en draaide de sleutel om terwijl ik een beetje tegen de deur aan duwde.
'Jawel, ik zweer het' zei Ringo en deed de deur achter zich dicht.
'Zo harmonieus was ze dus niet' zei ik, en liep de huiskamer binnen.
Ringo keek een beetje ongemakkelijk om zich heen.
'Wat vond je van Zomergasten zondag?' vroeg hij.
'Met Jolande Withuis bedoel je?' zei ik. Ringo knikte.
'Wel leuk. Alleen ze schold een beetje veel.'
'Wat bedoel je? Ik heb daar helemaal niets van gemerkt...'
'De hele tijd kanker dit en kanker dat'
'Oh, dat'
'Ja, dat ja. Ik citeer: De kankerzorg is buitengewoon liefdevol'
'Dat is kapot leip, ja'.
'Leip?! Dat is noch zwak uitgedrukt. Zeg maar gerust asociaal. En dat op de nationale televisie! Ze moest zich schamen!'
'Hm...ja, ach ja, dat soort dingen gebeuren' zei Ringo en haalde zijn schouders op.
'Wat doe je nou ineens kankeronverschillig man?'
'Kan het je dan helemaal niets schelen dat er zoveel mensen lijden aan die kankerziekte?!'
'Ja, dat wel, maar.....'
'Zeg dat ik gelijk heb!' riep ik, al stampend met mijn voeten op het kliklaminaat.
© Jiska de Vries 2012

Hitler III

'Zullen we even lekker samen gaan ontpolderen?' vroeg hij die tegenover mij zat.
'Hé ja, lekker' zei ik.
'Bij jou of bij mij?' vroeg hij.
'Bij mij' antwoordde ik zonder blikken of blozen.
We stonden op en liepen richting mijn huis.
Op de straatstenen waren wat letters gekalkt met stoepkrijt, in van die misselijkmakende vrolijke kleurtjes.
'Kijk naar jezelf, dikzak!' stond er.
Het is waar, dacht ik, en staarde naar de stoeptegels. De maatschappij is inderdaad verhard. Het begint bij de volwassenen, en het eindigt bij de jeugd.
En de jeugd heeft de toekomst, dus dat belooft wat.
We kwamen langs wat onbenullige winkeltjes, en ook langs een paar benullige.
Ik versnelde mijn pas en liep richting onverharde weg. Nou ja, onverharde weg, het was om precies te zijn een grindpaadje. We begonnen zo zoetjes aan het stadshart te verlaten.
Stadshart, dacht ik schamper. Alsof deze stad überhaupt een hart heeft. En hoezo zou dit gedeelte wel een hart hebben, en de rest van de stad niet.
Hypocriet. 
Net alsof alles hierbuiten een meedogenloos gedeelte van de stad is, ofzo.
Dat is het wel hoor, daar niet van. Maar daar vormt het centrale gedeelte van de stad geen uitzondering op.
'Hoe heet je eigenlijk?' vroeg ik de man die naast me liep.
Dat was ik tijdens het eten nog vergeten te vragen. En daarvoor ook. Ik vergeet soms dingen, weet je. Ja, ook ik vergeet weleens dingen, weet je.
'Ringo' antwoordde hij.
'Ah!' zei ik, en gaf hem een veelbetekenende blik.
'Ik snap het al'.
'Wat snap je', vroeg de man, die bij navraag Ringo bleek te heten.
'Jij bent de vroegere imaginaire vriend van mijn broer!'.
'Dat klopt' zei hij. 'Hoe weet je dat?'.
'Gokje' antwoordde ik.
We hadden het stadshart nu definitief verlaten, en waren nog maar een kilometer of drie verwijdert van mijn huis.
'En', informeerde hij 'heb je al een nat poesje?'
'Bijna' zei ik.
We stonden stil voor het rode stoplicht.
'Weet je trouwens waar de afkorting 'Hit' voor staat bij de Hitkrant?' vroeg ik opeens.
Ik weet zelf ook niet hoe ik daar zomaar op kwam.
'Nee, jij?' vroeg hij.
'Ja' zei ik, en keek even om mij heen.
'Het is een afkorting van Hitler'.
Het stoplicht sprong op groen.
'Dat meen je niet!' riep Ringo uit.

© Jiska de Vries 2012

Hitler II

'Hummie is gewoon zo'n vrouw die...jeweetwel, als je haar een vinger geeft, neemt ze gelijk je hele hand'.
'Bedoel je nou dat ze je hand heeft genomen?' vroeg ik.
Hij keek me niet-begrijpend aan.
'Zullen we nog even ergens een hapje gaan eten?' zei hij, om de ongemakkelijke stilte die volgde te doorbreken.
'Is goed' zei ik.
We rekenden af en liepen naar een Italiaans restaurant ergens op de hoek.
'Eet smakelijk' zei hij even later.
'Dat bepaal ik zelf wel' antwoordde ik.
Ik hou wel van een grimmige sfeer.
We aten onze quattro stagioni, onderwijl nippend van onze azijn. Ik bedoel natuurlijk witte wijn. Witte wijn ja, het is een verschrikkelijk feit, maar het was echt zo. Je kunt het simpelweg niet maken om rode wijn te bestellen bij een quattro stagioni.
Dus nam ik het laffe vrouwendrankje tot me met een soort van wrang genoegen. Wij mensen hebben nou eenmaal wat masochisme nodig op zijn tijd.
Dit was mijn masochistische momentje.
Allemaal in het kader van de sociale gewenstheid, natuurlijk. Zoals dat wel vaker gaat met masochisme. Ter meerdere eer en glorie van de sociale gewenstheid zijn wij mensen in staat onszelf te verloochenen, vernederen, vernietigen, en wat al niet meer zij.
Maar ik dwaal af.
'Zal ik u vergelijken met een zonnige dag?' vroeg de man tegenover mij plotseling.
'Nee, liever niet' antwoordde ik met volle mond.
Er droop wat tomatensaus langs mijn lippen naar beneden, hetgeen ik vakkundig en met gepaste snelheid wist te stoppen met mijn tong, en een beetje mondvocht.
Ik slikte.
'Mondvocht!' riep ik plotseling euforisch.
De man tegenover mij keek mij vragend aan.
'Wat is dat toch eigenlijk een goede uitvinding! Ik bedoel, stel je eens voor dat we geen mondvocht hadden..'.
'Tergend!' riep de man.
'Laten we hierop toosten!' riep ik, uitzinnig van vreugde.
Het bedienend persoon keek niet op of om. Italianen he. Die zijn wel wat gewend (denk: Berlusconi, denk: toren van Pisa, denk: Maradona).
Met klinkende glazen klonken wij onze wijnglazen tegen elkaar. Een gedeelte van de inhoud klotste over de rand.
Zo, dat scheelt weer, dacht ik.
Mijn masochistische momentje was blijkbaar vervlogen.
Hou zou Hitler hier eigenlijk tegenover hebben gestaan, vroeg ik mij af.
Peinzend staarde ik in de verte.

© Jiska de Vries 2012

Hitler I

'Ik kan het eigenlijk met iedereen wel goed vinden'.
De man die tegenover mij zat keek mij doordringend aan.
'Behalve met Hitler' zei ik.
'Dan ben je heus niet de de enige hoor' antwoordde hij.
'Ja DUH. Dat weet ik ook wel. Je hoeft niet te doen alsof ik nergens iets vanaf weet' zei ik chagrijnig. Het was de tijd van de maand.
De ober kwam eraan.
'Mevrouw hier denkt dat ik denk dat zij van niets weet' zei hij die tegenover mij zat.
De ober glimlachte vriendelijk.
Ik begreep de hint, en bestelde een bitter lemon.
We keuvelden nog wat na over de film.
'Weet je wie ik pas echt een kutwijf vindt?' zei hij plotseling.
'Nee' zei ik.
De man tegenover mij boog geheimzinnig naar me toe en fluisterde 'Hummie van de Tonnekreek'.
'Hum-wie?!' riep ik.
'Sssst' zei de man.
De ober kwam eraan en vroeg: 'de bitter lemon?'
Wat is dat nou weer voor vraag, denk ik. En waarom onthouden die obers van tegenwoordig nooit meer wat. Hij stond hier drie minuten geleden nog godverdomme.
De man tegenover mij wees naar mij en de ober begreep het.
Ik kreeg eerst mijn bitter lemon, de man tegenover mij daarna zijn cognacje.
'Vele laatsten zullen de eersten zijn' zei de man.
'Nee, het is andersom' zei ik.
'Vele eersten zullen de laatsten zijn'.
'We zullen wel zien' zei de man en klokte binnen no time zijn cognacje weg.
'Maar hoe zit dat nou met Hummie?' vroeg ik.
'Hmmmm....hmm' humde hij.
Daarna kuchte hij even en zei: 'Ik heb met Hummie gewoon een beetje wat jij met Hitler hebt'.
'Ik héb helemaal niets met Hitler!' schreeuwde ik.
'Sssst' zei de man.
Het was al te laat, alle mensen van het terras keken naar mij, het Hitlerwijf.
'Griezelig' zei ik, wat meer timide dit keer.
'Wat precies?' vroeg de man tegenover mij.
'Niets, laat maar' zei ik, brak een stuk chocola af en deed het in mijn mond.
'Kijk' zei de man.
Ik kijk al, dacht ik. De hele godganselijke dag kijk ik al.
Net als Hitler.
Die keek ook altijd.


© Jiska de Vries 2012