maandag 7 juli 2014

Hitler XXI


Ik doe open, staat er een vrouw met een snor aan de deur. Een blonde, dus ik weet niet of ze zelf wel weet dat ze een snor heeft. Ik zag het ook omdat de zon zo hard scheen. Maar hij was wel vlassig, dus ik vermoed dat ze er wel vanaf weet.
Ze vroeg om een fiets.
Oh ja, dat is waar ook, dacht ik, ik heb nog een fiets in de tuin staan die iemand van iemand geleend had en daarna boos uit mijn huis vertrokken was.
Hij was namelijk manisch (jeweetwel, van depressief), althans dat zei iemand mij die er verstand heeft, en kon derhalve niet realiseren dat je op iemand als ik niet boos wordt.
Nou goed, mevrouw krijgt fiets terug (geen snorfiets), zij blij, ik blij, weer over tot de orde van de dag.
Het bleek alleen dat die dag helemaal geen orde had. Dus ik was mooi in de aap gelogeerd. Of nou ja, logeerde ik maar in een aap, dan was de dag nog in bepaalde zin relevant geweest.

Die nacht had ik een nachtmerrie. Het ging over een pretpark, waar ik per ongeluk met een nichtje in beland was. Het erge was: ik kon er niet uit komen, wat ik ook probeerde. En u moet weten: ik hou niet van pretparken. Al het lawaai, het geschreeuw, de te harde muziek, die ook nog eens slecht is, de felle kleuren en schelle lichten, het kwam die nacht op mij af als de artikelen van Ikea wanneer je de uitgang zoekt. Telkens weer vroeg ik een medewerker de weg, elke keer leek het of ik degene wel kon vertrouwen, daarna bleek het tegendeel. Ze stuurden mijn nichtje en mij telkens een attractie in, waar ik weer het erbarmen der kermis moest ervaren om erna kotsend opnieuw op zoek te gaan naar de uitgang.
Toen kwamen we de ouders van het nichtje tegen. Mijn oom en tante dus. Zij deden of er niets aan de hand was (zoals iedereen altijd doet alsof er niets aan de hand is) en waren gewoon een dagje uit. Maar ik wilde niet meedoen, al sommeerden ze mij te genieten. Ik wilde eruit, maar was er nog steeds niet achter hoe. Gelukkig werd ik wakker.

's Middags fietste ik naar de stad om wat dingetjes te kopen. Onder andere een opblaasbaar zwembadje voor in de tuin. Ik had de doos met het zwembadje erin (onopgeblazen) pontificaal achter op mijn bagagedrager vastgezet.
Eenmaal op de fiets werd ik na enige tijd ingehaald door de reïncarnatie van De Vieze Man. Terwijl hij mij inhaalde zei hij (uiteraard met Haags accent): 'Vanavond lekker in bad mevrouw?'.
Ondertussen fietste ik door en dacht ik na over hoe het nu verder moet met De Wereld. Vooral over de ziekte kanker dacht ik na. Ik maakte mij er zorgen over.
Steeds meer acties zijn er tegen kanker, waarmee dan geld wordt opgehaald om er een goed medicijn tegen te vinden. En iedereen vind dat zó goed.
Maar er is niemand die zich bekommerd over waar we dán aan dood moeten gaan; als de kanker is uitgeroeid.
Iedereen bekommert zich maar om zijn eigen hachje, maar over dat straks niemand dood meer kan gaan hoor je niemand. Niemand! Zeg ik.
Straks kan je er niet meer lekker een chemotherapietje tegenaan gooien of zielige verhalen gaan vertellen aan familie of vrienden over de volgende bestraling.
Nee, zelfs een flinke levensbedreigende ziekte mag je tegenwoordig al niet meer hebben.
Alles gaat kapot in dit land.

De volgende dag.
In de zomer heb ik een negatiever zelfbeeld dan in de winter, besefte ik ineens.


 © Jiska de Vries 2014   

Geen opmerkingen:

Een reactie posten