Ik doe open, staat er een vrouw met een
snor aan de deur. Een blonde, dus ik weet niet of ze zelf wel weet
dat ze een snor heeft. Ik zag het ook omdat de zon zo hard scheen.
Maar hij was wel vlassig, dus ik vermoed dat ze er wel vanaf weet.
Ze vroeg om een fiets.
Oh ja, dat is waar ook, dacht ik, ik
heb nog een fiets in de tuin staan die iemand van iemand geleend had
en daarna boos uit mijn huis vertrokken was.
Hij was namelijk manisch (jeweetwel,
van depressief), althans dat zei iemand mij die er verstand heeft, en
kon derhalve niet realiseren dat je op iemand als ik niet boos wordt.
Nou goed, mevrouw krijgt fiets terug
(geen snorfiets), zij blij, ik blij, weer over tot de orde van de
dag.
Het bleek alleen dat die dag helemaal
geen orde had. Dus ik was mooi in de aap gelogeerd. Of nou ja,
logeerde ik maar in een aap, dan was de dag nog in bepaalde zin
relevant geweest.
Die nacht had ik een nachtmerrie. Het
ging over een pretpark, waar ik per ongeluk met een nichtje in beland
was. Het erge was: ik kon er niet uit komen, wat ik ook probeerde. En
u moet weten: ik hou niet van pretparken. Al het lawaai, het
geschreeuw, de te harde muziek, die ook nog eens slecht is, de felle
kleuren en schelle lichten, het kwam die nacht op mij af als de
artikelen van Ikea wanneer je de uitgang zoekt. Telkens weer vroeg ik
een medewerker de weg, elke keer leek het of ik degene wel kon
vertrouwen, daarna bleek het tegendeel. Ze stuurden mijn nichtje en
mij telkens een attractie in, waar ik weer het erbarmen der kermis
moest ervaren om erna kotsend opnieuw op zoek te gaan naar de
uitgang.
Toen kwamen we de ouders van het
nichtje tegen. Mijn oom en tante dus. Zij deden of er niets aan de
hand was (zoals iedereen altijd doet alsof er niets aan de hand is)
en waren gewoon een dagje uit. Maar ik wilde niet meedoen, al
sommeerden ze mij te genieten. Ik wilde eruit, maar was er nog steeds
niet achter hoe. Gelukkig werd ik wakker.
's Middags fietste ik naar de stad om
wat dingetjes te kopen. Onder andere een opblaasbaar zwembadje voor
in de tuin. Ik had de doos met het zwembadje erin (onopgeblazen)
pontificaal achter op mijn bagagedrager vastgezet.
Eenmaal op de fiets werd ik na enige
tijd ingehaald door de reïncarnatie van De Vieze Man. Terwijl hij
mij inhaalde zei hij (uiteraard met Haags accent): 'Vanavond lekker
in bad mevrouw?'.
Ondertussen fietste ik door en dacht ik
na over hoe het nu verder moet met De Wereld. Vooral over de ziekte
kanker dacht ik na. Ik maakte mij er zorgen over.
Steeds meer acties zijn er tegen
kanker, waarmee dan geld wordt opgehaald om er een goed medicijn tegen
te vinden. En iedereen vind dat zó goed.
Maar er is niemand die zich bekommerd
over waar we dán aan dood
moeten gaan; als de kanker is uitgeroeid.
Iedereen bekommert zich maar om zijn
eigen hachje, maar over dat straks niemand dood meer kan gaan hoor je
niemand. Niemand! Zeg ik.
Straks kan je er niet meer lekker een
chemotherapietje tegenaan gooien of zielige verhalen gaan vertellen
aan familie of vrienden over de volgende bestraling.
Nee, zelfs een flinke levensbedreigende
ziekte mag je tegenwoordig al niet meer hebben.
Alles gaat kapot in dit land.
De volgende dag.
In de zomer heb ik een negatiever
zelfbeeld dan in de winter, besefte ik ineens.
© Jiska de Vries 2014
© Jiska de Vries 2014
Geen opmerkingen:
Een reactie posten